Vliegen is een bijzondere ervaring die voor mensen pas sinds het begin van de twintigste eeuw mogelijk is. Tot die tijd was vliegen voorbehouden aan vogels, insecten en enkele andere diersoorten, zoals vleermuizen. Na jaren van experimenteren met onder meer zweefvliegtuigen werd op 17 december 1903 voor het eerst succesvol gevlogen met een gemotoriseerd en bestuurbaar vliegtuig. De Amerikaanse broers Wilbur en Orville Wright maakten die historische vlucht, die slechts 12 seconden duurde. Toch betekenden die twaalf seconden het begin van een compleet nieuwe manier van vervoer: door de lucht. Vanaf dat moment kreeg het begrip vliegen voor de mens een totaal nieuwe betekenis.
De ontwikkeling van vliegtuigen en de luchtvaart verliep daarna in hoog tempo. In 1914 vond in Florida de eerste geregelde commerciële passagiersvlucht met een vliegtuig plaats. De eerste luchtvaartmaatschappij ter wereld was het Duitse DELAG, dat al in 1909 werd opgericht. Deze maatschappij vloog echter niet met vliegtuigen, maar vervoerde passagiers met zeppelins. Na de Eerste Wereldoorlog ontstond een nieuwe generatie luchtvaartmaatschappijen. KLM werd opgericht op 7 oktober 1919, SCADTA – het latere Avianca – in december 1919 en Qantas in november 1920. Vooral in deze periode ontstond de basis voor de commerciële luchtvaart zoals we die tegenwoordig kennen.